De Oerknal – Deel 2

Zodra werd bevestigd dat het universum uitdijt, kwam de gedachte aan een statisch universum ter discussie te staan. Toch waren we nog ver verwijderd van het concept van de oerknal—tot in 1931, toen pater Georges Lemaître een andere theorie voorstelde: dat het universum voortkwam uit een “oerat”. Deze idee werd nog meer bespot dan de vorige: hoe kon het hele universum voortkomen uit één primair atoom? Ze werd verworpen als puur religieus denken. Tegelijkertijd waren wetenschappers verdeeld: sommigen steunden het idee, anderen verwierpen het.

In 1953 werd de theorie volledig verlaten. Maar in 1966 keerde ze terug op de voorgrond na een ontdekking van een groep wetenschappers, onder wie Robert Wilson—die het voorwoord van het boek schreef.

Bij toeval slaagden ze erin concreet bewijs van de oerknal te leveren. Op dat moment veranderde alles—want we hadden eindelijk een reële aanwijzing. Ze vonden sporen die aantoonden dat zich een enorme explosie had voorgedaan in het vroege universum. Ze gingen zelfs verder: ze konden het universum observeren zoals het er 380.000 jaar na de explosie uitzag, een stadium dat ze “het gezicht van God” noemden. De auteur toonde uiteraard grote vreugde, alsof hij daadwerkelijk het “gezicht van God” had gezien. Het was natuurlijk slechts een symbolische term. Hij citeert vervolgens verschillende wetenschappers die van atheïsten deïsten werden. Sommigen, zegt hij, schreven over geloof en rede, en de auteur raakte in een roes, alsof hij God—of de Architect of de Schepper—persoonlijk had ontdekt.

Zo is er met deze grote ontdekking over het begin van het universum via de oerknal geen enkele twijfel meer over het feit dat deze plaatsvond.

We beschikken nu over materieel bewijs—tastbare sporen—die de oerknal bevestigen. Wetenschappers begonnen de fijnere details van deze oerexplosie te onderzoeken, onder andere wanneer ze plaatsvond. Ze concludeerden dat deze explosie 13,8 miljard jaar geleden plaatsvond. De auteur beschrijft vervolgens de fasen die het universum vanaf het begin heeft doorgemaakt. Wetenschappers bevestigen dat we niet kunnen weten wat er op tijdstip nul gebeurde, maar wel wat er onmiddellijk daarna gebeurde—tijdens wat men de “Plancktijd” noemt, een periode die tien miljoen biljoen biljoen biljoen biljoen keer kleiner is dan één seconde. Dit is de kleinste bekende tijdseenheid, en ervoor bestond er geen ruimte, geen tijd, en geen materie.

De auteur stelt dat het voor de wetenschap onmogelijk is te weten wat er voor de Plancktijd was—hoewel hij erkent dat de wetenschap beweert dat niets onmogelijk is. Toch blijft hij op dit punt aandringen.

Maar de wetenschap zal op een dag dat punt bereiken—ze zal verder gaan dan de oerknal, wees daarvan overtuigd! De auteur beweert dat sommige wetenschappers hebben geschreven over wat er vóór de oerknal bestond. Een van de hypotheses komt van Stephen Hawking, die stelde dat tijd, ruimte en materie al voor de oerknal bestonden—maar dat ze niet echt waren; ze waren denkbeeldig. Tot op heden kan die fase enkel wiskundig begrepen worden. Voor nul komt enkel min één. De auteur beschrijft vervolgens de fasen vanaf de Plancktijd tot 9 miljard jaar geleden, toen de sterren verschenen, en 4,5 miljard jaar geleden, toen ons zonnestelsel ontstond. Hij herhaalt dat de oerknal een wetenschappelijk bevestigd feit is—wat uiteraard klopt—en dat dit bewijst dat het universum een begin heeft gehad.

Maar wat hier bewezen wordt, is het begin van het materiële universum, want de wetenschap houdt zich momenteel enkel bezig met het materieel domein. Ze heeft het metafysische domein nog niet bereikt, noch de instrumenten ontwikkeld om het te onderzoeken. Maar de wetenschap zal zich zeker ontwikkelen en ook dat bereiken!

Daarna keert de auteur terug naar zijn eenzijdige visie en presenteert twee theorieën:

  1. Het universum is statisch en eeuwig, zonder begin of einde—dus zonder God.
  2. Het universum is eindig, met een begin en een einde—dus God bestaat.

Hij concludeert: “De wetenschap heeft nu bewezen dat het universum een begin en een einde heeft.”

Hij vervolgt door te zeggen dat er vóór de Plancktijd geen ruimte, geen tijd en geen materie was—wat zou betekenen dat er iets moet bestaan buiten deze dimensies: God of de Architect. Volgens hem is enkel zo’n wezen in staat om het bestaan uit het niets te laten ontstaan, want bestaan kan niet uit het niets verschijnen zonder de daad van een kracht die zich buiten tijd, ruimte en materie bevindt. Dat is zijn manier van redeneren.

Hij sluit het hoofdstuk af met citaten van enkele deïsten die het bestaan van een Schepper en een Architect van het universum bevestigen. Hij voegt eraan toe: “Na al het bewijs dat we in dit boek hebben gepresenteerd, twijfel je nog steeds aan het bestaan van God?”

Vervolgens hervat hij zijn spot over atheïsten en zegt: “Ik weet dat deze wetenschappelijke feiten hen verontrusten en ongemakkelijk maken. Ze proberen eraan te ontsnappen door andere theorieën te bedenken om te ontkennen dat het universum een begin heeft gehad.”

Maar dat is onzin, zonder enige grondslag. Alle atheïsten aanvaarden de oerknal als een bewezen theorie—voor hen is het een wetenschappelijk feit. Wat ze ontkennen is dat God de oorzaak ervan is. Maar de auteur staat er bewust op dat atheïsten het idee van een begin niet kunnen aanvaarden—wat simpelweg niet waar is.

Het is waar dat sommige wetenschappers andere hypotheses hebben voorgesteld—en dat is hun goed recht. De wetenschap moedigt het bedenken van meerdere hypotheses aan. Sommige zijn verlaten door nieuwe ontdekkingen en materieel bewijs, andere blijven binnen het domein van de reflectie. Maar de auteur lijkt niet bereid die deur te openen.

De wetenschap is voortdurend in ontwikkeling. Ze moet alles kunnen overwegen, bevragen en bewijzen. Er is geen absolute waarheid in de wetenschap. Dat is iets wat de auteur duidelijk niet begrijpt: dat wetenschap altijd in beweging is.

In hoofdstuk 7 somt de auteur de theorieën op die de oerknal ontkennen. Sommige zijn door wetenschappelijke ontdekkingen achterhaald, andere blijven zuiver theoretisch. Dit hoofdstuk is van weinig waarde: het bestaat uit verouderde, inmiddels verworpen theorieën, en enkele abstracte denkbeelden.

Wat hoofdstuk 6 betreft, dat wat langer is, noemt de auteur wetenschappers die volgens hem werden vervolgd of zelfs vermoord—direct of indirect—door de Russen of de Duitsers, omdat ze ontdekten dat het universum een begin had. Voor de auteur impliceert dit automatisch het bestaan van God, wat in strijd is met atheïstische en materialistische ideologieën, in het bijzonder het marxisme. Hij verbindt marxisme, nazisme en atheïsme tot één enkel blok, dat hij voorstelt als vijandig tegenover wetenschap en tegenover elk idee dat op een Schepper wijst. Dit hoofdstuk is ideologisch en bevat geen betekenisvolle wetenschappelijke inhoud.

Hoofdstuk 8 introduceert het idee van de fijnafstemming van het universum, wat de auteur beschouwt als definitief bewijs van het bestaan van God en een kosmisch ingenieur. De rest van het boek—meer dan de helft—gaat over “bewijs” dat buiten de wetenschap ligt. Dit deel kan volledig worden genegeerd.

Na het lezen van het boek is het duidelijk dat het redeneringsniveau in dit laatste gedeelte snel instort. De auteur noemt zogenaamde wonderen, het “Wonder van Fatima” in Portugal, de vermeende superioriteit van het Joodse volk, en andere absurde beweringen: bijbelse verwijzingen, christelijke mythologie, een god buiten ruimte en tijd die zogenaamd zijn zoon Jezus naar de wereld van ruimte en tijd zou hebben gestuurd om ons naar hem terug te leiden… onder andere mythen en fantasieën.

Pin It on Pinterest